Slakken-Mossels

Slakken en

mossels


Het meest opvallend is de schelp. Soms en huisje waar het dier helemaal inzit, soms een schuilplaats waarin het zich kan terugtrekken. Ze wordt gevormd door een lichaamsplooi, de mantel en bestaat uit kalk, beter calciumcarbonaat. De hoeveelheid calcium in de vijver bepaalt welke soorten erin kunnen leven : bij weinig calcium, kleine dunwandige soorten, bij veel calcium, grotere soorten met dikke schelpen.

Een ander kenmerk is de voet, een gespierd deel van de buik waarmee de slakken bewegen.Slakken zijn planteneters, met hun beweeglijke rasp schrapen ze een laagje af van planten en ander materiaal.Mossels filteren het water en voeden zich met plankton.

Kaphoornslakken:

hebben slechts één schelp en zitten stevig vast op de ondergrond; komen voor in zuiver, stromend water ( goed aangepast).

Erwtenmossel:

platte schelpjes, waarvan de top iets naar de achterzijde verschoven is met duidelijke groeistrepen.

(a) Zwanenmossels :

Schelpkleppen vrij dun en zonder slot, zeer langwerpig eivormig, duidelijke groeistrepen. Kan tot 15 cm groot worden. Leeft half ingegraven in de bodem. Na de voortplanting leven de larven van de mossels op de kieuwen of de staart van vissen, het bittervoorntje (beschermd visje) heeft daarbij de voorkeur. Op zijn beurt heeft het bittervoorntje voor zijn voortplanting ook de mossels nodig. Het mooi gekleurd mannetje deponeert zijn zaadcellen op de mossels en de wijfjes leggen er daarna de eitjes op. In de meimaand kan men vanaf de steigert dit schouwspel waarnemen!

(b) Driehoeksmossel :

schelpkleppen duidelijk driehoeki,.kan zich met byssusdraden aan allerlei kleine voorwerpen hechten, leeft met meerdere samen en door de byssusdraden en driehoekige vorm gemakkelijk te herkennen. Vijverpluimdrager, diepslakken en moerasslakken werden nooit waargenomen Veelvoorkomend zijn: Posthoornslak, schijfhoornslakken , poelslakken en geoorde poelslakken.

(c) Posthoornslakken - Planorbis corneus- :

huisje roodbruin of donkergrijs met duidelijke

groeistrepen, er zijn ook albinosoorten met witte. Mondopening breed-sikkelvormig. Windingen rond, regelmatig in grootte toenemend.De slak heeft twee, niet intrekbare sprietjes met oogjes aan de basis. Tijdens het kruipen blijft de schelp rechtop.De slak is 3 cm groot en heeft hemoglobine als bloedvloeistof.

(d) Schijfhoornslakken - Planorbis planorbis- :

Hebben meer windingen en zijn veel platter en kleiner dan de posthoornslakken.

(e) Grote poelslak - Lymnaea stagnalis- :

Heeft een spitse top, is 5,5 cm groot en legt haar eitjes in geleiworstjes op bladeren.

(f) Ovale poelslak - Lymnaea ovata- :

heeft een kort, torenvormig huisje met vrij grote mond.

(g) De geoorde poelslak - Lymnaea auriculata- :

Het bruine huisje is zeer kort en de mond is oorvormig verwijd.