Kevers

Kevers

Kevers hebben tot dekschilden verharde voorvleugels. Bij het vliegen worden de grotere vliezige achtervleugels gebruikt. Waterkevers en hun larven hebben altijd zuurstof uit de lucht nodig, verpoppen gebeurt daarom buiten het water.

De meest voorkomende waterkevers kan men in drie groepen onderbrengen:

- Waterroofkevers - Dytiscae :

de grootste groep

De waterroofkevers bewegen hun achterpoten tegelijk en de dekschilden komen op de naad mooi tegen elkaar. Ze hebben lange snoervormige antennes en daartussen korte kaaktasters

- Knotswaterkevers

gelijken qua lichaamsbouw op de vorige, alleen hebben ze korte antennes die op een knotje eindigen en daartussen lange kaaktasters die dienst doen als snorkels.

- Watertreders

zijn slechte zwemmers, ze lopen over de waterplanten of peddelen maar wat, waarbij ze de achterpoten afzonderlijk bewegen. Hun eivormig lichaam is niet erg gestroomlijnd.

Waterroofkevers

(a) De geelgerande watertor - Dytiscus marginalis:

- (3,5 cm), is sterk aan het waterleven aangepast. Hij eet uitsluitend vlees. De volwassen exemplaren spelen de prooi in stukjes en brokjes naar binnen, de larven spuiten verteringssappen in de prooi en zuigen ze dan leeg. Om te ademen komen volwassenen en larven met het achterlijf aan het wateroppervlak hangen om lucht op te nemen. Het wijfje maakt met haar legboor een groef in een plant en legt daar de eitjes in

De larve van de grote geelgerande watertor kruipt op de oever en graaft een gat waarin ze verpopt, de kever blijft nog een tijdje onder de grond om uit te harden.

(b) Gegroefde watertor - Acilius sulcatus - :

Is slechts 18 mm groot. De larven zijn goed herkenbaar aan de verlengde nek.

1,5 cm heeft een halsschild met oranje-gele banden. vleugels donkerbruin met gele randen

(d) De eironde watertor - Hyphydrus ovatus- :

slechts 5 mm, roestbruin met grote en kleine zwarte puntjes, de klauwtjes aan de achterste poten zijn verschillend gevormd. De larve is goed herkenbaar larve met geel-bruine tijgerstrepen. Ze wordt regelmatig waargenomen in Bastion VIII.

(e) De kleine waterroofkevertjes:

dragen aan hun achterlijf een duidelijke luchtbel

Alle bovenstaande waterroofkevers werden in Bastion VIII waargenomen.

Watertreders

(f) Haliplus:

Bewegen de achterpoten afzonderlijk. 4 mm groot, ovaal lichaam en gestreepte schilden.Ze leven tussen de planten van stilstaand water. Het zijn planteneters.

(g) Kleine zwemkever of modderkever - Hygrobia - :

1 cm, bovenzijde vlakker dan onderzijde. Roestbruin met grote donkere vlek


- Knotswaterkevers

(h) Grote spinnende watertor - Hydrophilus piceus- :

Grootste waterkever in Bastion VIII, 5 cm !. Leeft in het moeras en de sloot. De knotsvormige sprieten zorgen voor de reuk en de tast. De veel langere tasters horen bij de mond en dienen als snorkels.

Onder de dekschilden zit een luchtvoorraad die wordt aangevuld met zuurstof uit het water. In de zomer gaat hij bijtanken via de tasters met zuurstof uit de lucht.

De spînnende watertor is een planteneter. Het wijfje legt eitjes in een gesponnen, drijvende cocon. De larven zijn rovers, ze eten zelfs posthoornslakken. Spinnende watertorren zijn goede vliegers.

Kleine pikzwarte watertor - Hydrophilus caraboïdes- :

Zwart met groene weerschijn, lichaamsbouw als (h), 18 mm, op het dekschild zijn 5 stippelrijen. Het wijfje spint eveneens een einestje.

Roodpootwatertor of dwergknotskever- Hydrobius fuscipes - :

7 mm, lichaamsbouw als (h) glanzend zwart, poten roodbruin.