Insecten

Insecten

1. Springstaarten.

   Danken hun naam aan een soort veer onder het achterlijf waardoor ze vanop het water in de lucht kunnen springen. Met het blote oog  zien we slechts minuscule pelletjes die op het wateroppervlak

bewegen, ze leven nooit in het water.

2. Libellen.

    Er zijn twee groepen libellen : de waterjuffers en de echte libellen

    of glazenmakers.

(a) De slanke waterjuffers hebben gelijkvormige vleugels, die ze in

     rust dicht bij elkaar omhoog houden.

(b) Bij de glazenmakers verschillen de voor- en achtervleugels in vorm

     en tekening. In rust zijn de vleugels horizontaal gespreid.

(c) Nimfen van waterjuffers hebben drie bladachtige kieuwen aan het

     achterlijf.

(d) Nimfen van glazenmakers hebben drie korte stekels aan het

     achterlijf. Volwassen libellen en hun nimfen zijn rovers, de grootste

     nimfen verslinden zelfs kleine visjes.


a. Haften of eendagsvliegen

(b) Het volwassen dier heeft geen monddelen om te eten. Ze leven

     slechts enkele uren, voldoende om zich voort te planten. Na de

     eiafzetting vallen de wijfjes in het water en komen om.

(c) De nimfen leven altijd in het water. Ze hebben drie staarten en

     meestal bladvormige kieuwen zijdelings aan het achterlijf. De

     nimfen zijn planteneters. Haftennimfen duiden op een zeer goede

     waterkwaliteit, vooral de (g) afgeplatte soorten

    (in stromend water of op de bodem) zijn afhankelijk van zeer

     zuiver water.

d. Kokerjuffers of schietmotten

(g) De volwassen exemplaren zijn meestal bruine motachtige

     nachtdieren die zich zelden voeden.

     De eieren worden in geleipakketten afgezet op het wateroppervlak,

     in het water of op de overhangende oevervegetatie.

     De larven leven in het water en zijn omnivoor. De meeste maken

     verplaatsbare huisjes of kokers waaruit alleen de kop en de poten

     bij het kruipen zichtbaar zijn.. Het huisje wordt gemaakt van

     steentjes, slakjes of plantendelen en wordt bijeen gehouden met

     zijdedraden die door de speekselklieren worden afgescheiden. Het

     kokertje wordt door de twee haakjes aan het achterlijf

     vastgehouden. De larven van enkele soorten zijn vrijlevend. De

      meeste kokerjuffers leven slechts één jaar, men treft ze dan ook

     zelden in het najaar aan.

(h) Trianodes :

    Heeft een spiraalvormig kokertje opgebouwd uit

     bladfragmentjes. De poten zijn behaard.